Louis Peter Grijp

Van dialectlied tot boerenrock
Muziek en regionale identiteit

'Het is een kwestie van geduld
rustig wachten op de dag
dat heel Holland Limburgs lult'

zingt Rowwen Hèze, de bekende band uit Horst, Noord-Limburg. De dag dat heel Holland Limburgs lult schijnt mij sint-juttemis toe, wanneer de kalveren op het ijs dansen. Leest men echter voor `lult' 'brult', dan is de wensdroom van zanger/tekstschrijver Jack Poels inmiddels in vervulling gegaan. Rowwen Hèze treedt in heel Nederland op en blijft daarbij in het Limburgs zingen - en de zalen zingen mee.
Rowwen Hèze is geen geïsoleerd fenomeen. Al in 1977 scoorde de popgroep Normaal de hit Oerend hard, in het eigen Achterhoekse dialect, en legde daarmee de basis voor een nationale carrière. De twee genoemde bands vormen het topje van een ijsberg van regionale muziek waarvan men in de randstad nauwelijks het bestaan vermoedt.
Deze bijdrage dient een tweeledig doel. Ten eerste dient ze als een verkenning van een muzikale cultuur die in de landelijke journalistiek nog maar weinig aandacht heeft gekregen, laat staan in de wetenschap. Dat laatste geldt althans voor Nederland; in Duitsland heeft de belangstelling voor dialectmuziek reeds enige wetenschappelijke neerslag gehad.[1] Ten tweede stellen we ons de vraag in welke verhouding deze muziek staat tot de regionale identiteit. Het kenmerkende van Rowwen Hèze en Normaal is niet zozeer dat ze uit de regio komen maar dat ze zich bedienen van regionale taal. Dat is dan ook het eigenlijke onderwerp van deze bijdrage: muziek in de streektaal.

Het dialect in de volksmuziek

Is muziek in de streektaal een `uitvinding' van Normaal of is het een fenomeen van alle tijden? Zingen mensen die dagelijks dialect spreken ook in het dialect? Een voor de hand liggende gedachte is dat men zulk dialectgezang het eerst zou aantreffen bij traditionele plattelanders, in het volkslied. Toch is dit niet vanzelfsprekend. Volksliedonderzoekers constateerden juist het tegenovergestelde: het volk spreekt weliswaar dialect, maar zingt in het Nederlands. De Drentse folklorist Harm Tiesing berichtte - in het Drents - over een schaapherder, die vooral liederen uit Amsterdamse boekjes kent, zoals de Overtoomsche marktschipper. `Hie kon aal de liedies van boeten die er in de Overtoomsche marktschipper stunnen. Dat was `n liederboek, da fan hoes veur stuver koopen kunnen. Hie zung dan gern in 't veld het `Geestelijk uurslag'; dat begunde:

"Slaat de klok een, 't maakt ons gedachtig,
Dat er is maar eenen God almachtig."

Of hie zung van:

"Een schuttersvrouw uit Gelderland,
Die nam de wapens in de hand."
[2]

De Drentse herder, uit wiens mond wij slechts dialect verwachten, zong dus in het Nederlands. Volgens folklorist Tjaard de Haan is puur en onversneden dialect in het `echte volkslied, dat over land en zand zwerft en vaak elders ontstaan is', eerder uitzondering dan regel. `Liedjestaal is vanouds geen taal van alledag die men thuis kan brengen. Het is een zondagse aangelegenheid in de trant van "Ik neem de pen ter hand, lieve Coba, om U.E. te schrijven", een taal van sfeer, van nivo, van traditie.'[3]
Andere onderzoekers deden gelijksoortige constateringen. Veurman en Bax merkten in het West-Friesland van 1944 weinig van het dialect in het volkslied. Hun belangrijkste informante zong nooit in het dialect, hoewel ze wel altijd Westfries sprak .[4] Ate Doornbosch constateert eveneens dat veel mensen uit vorige generaties het Nederlands als spreektaal niet beheersten maar er wel in zongen, en verklaart daarmee de talrijke verbasteringen.[5] De Brabantse volksliedonderzoeker Harrie Franken stelt dat gewone mensen niet bedreven waren in het dichten en dat degenen die het wel konden meestal het Nederlands verkozen omdat dat meer prestige had. Bovendien gaf de spelling van de streektaal problemen. Franken geeft nog een andere interessante verklaring: de marktzangers zouden door dialect te gebruiken hun afzetgebied hebben verkleind. De vliegende blaadjes die zij aan de man brachten, zijn inderdaad altijd in het Nederlands gesteld. En als men al in het dialect zong, is dat vaak vertaald uit het Nederlands. Dat kan blijken uit rijmwoorden, bijvoorbeeld in:

Van `n mèske te hauwe
heur daornao te tröwe.


In het Brabants rijmt dit niet goed, maar wel in het Nederlandse origineel:
Van een meisje te houwen
en haar daarna te trouwen.


Verder komt het wel voor dat een gedeelte in de directe rede in dialect gaat, terwijl de rest van het lied in het Nederlands wordt gezongen. Het gaat dan om fictieve sprekers van lage komaf, uit wier mond de standaardtaal onnatuurlijk zou klinken.[6] Realisme in het volkslied. Al met al lijkt het dialect een ondergeschikte rol te hebben gespeeld in het volkslied, althans in de liederen die de belangstelling genoten van volksliedverzamelaars. Van het materiaal dat door Doornbosch en anderen verzameld is en op het P.J. Meertens-Instituut bewaard wordt, vertoont naar mijn eerste, grove schatting hooguit zo'n 10 procent dialectische eigenaardigheden.[7] Daaronder bevinden zich kinder- en wiegeliederen, Sint Maartensliederen, humoristische liederen en dergelijke.

Dialectliederen uit het verleden van de elite

Sedert eeuwen dichten ook intellectuelen liederen in streektalen. In de zeventiende eeuw schreef Bredero reeds zijn boertige liederen in wat hij noemde de `oude Aemsteldamsche en Waterlandsche Taal' en onder andere Vondel volgde hem daarin na in enkele van zijn beroemde hekeldichten, gesteld in plat Amsterdams. De primaire functie van het dialect is bij beiden satirisch - maatschappelijk dan wel politiek - terwijl tegelijkertijd het artistieke principe van het realisme wordt gediend. Daarbij is er bij Bredero een ondertoon van nationaal of regionaal zelfbewustzijn te bespeuren.
In de zeventiende eeuw werd er ook in het Fries gedicht. Van de in Leeuwarden gevestigde musicus J. Vredeman is een zangbundel bewaard uit 1602, met naast Italiaanse madrigalen en Franse chansons een aantal villanella in het Fries.[8] Vredemans keuze voor het genre van de villanella is veelzeggend. In de zestiende eeuw was dit van oorsprong Napolitaanse `boerenliedje' voor serieuze componisten een uitlaatklep voor boertigheden. Ook de dichter jan Janszoon Starter schreef een liedje in het Fries. Het gaat om een mengeling van boert en regionaal bewustzijn: Starters bundel heette niet voor niets Friesche Lusthof (1621).[9] De bekende Friese dichter Gysbert Japix volgde behalve met luchtige zaken met serieuze psalmberijmingen in het Fries.[10] Japix beschouwde het Fries als een volwaardige cultuurtaal en in zijn gedichten manifesteert zich al in de zeventiende eeuw het statusverschil tussen het Fries en de dialecten. Ik zal in deze bijdrage overigens het Fries op één lijn met de streektalen behandelen. In wezen gaat het om hetzelfde fenomeen en het is juist interessant te zien in hoeverre er verschillen optreden door de bijzondere taalsituatie in Friesland.
In de negentiende eeuw heeft Friesland inderdaad een bijzondere rol gespeeld in de regionale zang: een voortrekkersrol. In de jaren twintig van die eeuw werd het werk van Gysbert Japix opnieuw uitgegeven en publiceerden de gebroeders Joost en Eeltsje Halbertsma hun succesvolle Lapekoer van Gabe-Scroar, een `lappenmand' met verhalen, versjes en liedjes, zogenaamd uit de oude doos, maar door henzelf gedicht of bewerkt in het Fries.[11] In 1832 krijgt Hindelopen, dan al in het vizier van het folklorisme, zijn eigen, Hielper Volkslied in het Hindelopens dialect. In 1876 verschijnt voor het eerst It Lieteboek, later bekend geworden als het Frysk Lieteboek.[12] Bewerker Van Loon wijst op de liedjes van de Halbertsma's, die hij in zijn eigen jeugd van buiten kende maar waarvan de jeugd van 1876 zich nog slechts flarden herinnerde. Hij publiceert deze en vele andere Friestalige liederen, met pianobegeleiding, uit liefde voor land, volk en koning, om de mooie, krachtige, welluidende, oeroude taal te bewaren en natuurlijk ook om de Friese zang te bevorderen. De teksten zijn steeds van Friese dichters, de muziek van Friese toondichters of van internationale componisten als Mozart en Mendelssohn. In het laatste geval zijn de melodieën uiteraard van Friese tekst voorzien in plaats van andersom. Naast patriottische liederen, zoals het Frysk Folksliet en De alde Friezen, zijn godsdienst, natuur, landschap, liefde en volksleven regelmatig terugkerende thema's. Het regionaal patriottisme voert er de boventoon op de klanken van de muzikale Romantiek. Voortbouwend op het werk van de Halbertsma's is hier sprake van de constructie van een eigen liederenschat. Opvallend is de afwezigheid van oude volksliederen en traditionele melodieën.
Ook Groningen bezit zo'n repertoire. De Grönneger Laidjes, verzameld door J. Veltman, bevat vele liefdesverklaringen aan de provincie, merendeels op de wijzen van Nederlandstalige liederen.[13] Pas in 1930 verschijnt een prestigieuze uitgave met pianobegeleiding, die met het Friese liedboek kan wedijveren. Oude en Nieuwe Groninger Liederen, verzameld door P. Groen, en later heruitgegeven als 't Grunneger Zangbouk.[14] Het bevat enkele liederen uit de eerste helft van de negentiende eeuw, waaronder een Groninger Volkslied uit 1838 (in het Nederlands!) en een Grönneger Lijttien van omstreeks 1840. Behalve deze voortbrengselen van de muzikale Romantiek zijn vooral veel volksliederen uit de mondelinge overlevering opgenomen, zoals het bekende `n Boer wol noa zien noaber tou,/ Hai, boer, hai !, met pianobegeleiding. In Drenthe verschenen kort na de Tweede Wereldoorlog enkele aanzienlijk minder pretentieuze zangboekjes van ongeveer gelijke strekking.[15]
Uit de andere provincies zijn mij geen bundels van dit romantisch-patriottische type bekend. Hier zijn wel regionale bundels verschenen, maar deze zijn het werk van volkskundigen en volksmuzikanten. In de volkskundige traditie staan de uitgaven over West-Friesland van Veurman en Bax, en over Twente van Bartelink, die speciale aandacht schonk aan liederen in dialect.[16] Een soortgelijke werk over de Achterhoek is in meer populaire stijl gepresenteerd.[17] Een Zeeuws liedboek combineert kinderliederen met allerhande nieuw gecomponeerd materiaal in dialect.[18] Brabantse uitgaven hebben hun oorsprong in de folkbeweging, met name bij de groepen Ut muziek (uit de Kempen) en Fluitekruid (Tilburg)[19], die oude liederen optekenden. Toch zijn ook in het zuiden vanuit de romantische traditie liederen in het dialect gedicht. Uit de Maastrichtse `volkszang' is een klein corpus dialectliederen bekend uit de eerste decennia van deze eeuw.[20] In de jaren dertig begonnen Piet en Leo Heerkens liederen te schrijven in het Tilburgs.[21] Liederen in de streektaal zoals die van de gebroeders Heerkens maken deel uit van de literatuur in de streektaal. Er moeten talrijke regionale en lokale dichters actief zijn geweest die in de literaire traditie liederen schreven. Deze vormen de lyrische pendant van proza-literatuur zoals de streekroman, een genre dat in de tweede helft van de negentiende eeuw tot ontwikkeling kwam en vaak van het dialect gebruik maakte.[22] De uitgave van regionale liedboeken werd in enkele gevallen ondersteund door organisaties die het dialect en de regionale cultuur bevorderden, zoals `Groningen, vereeniging tot bevordering van de kennis van het dialect, de geschiedenis en de folklore van Groningen', de Drentsche Vereniging, de Zeeuwsche Vereeniging voor Dialectonderzoek en Brabants Heem.
We hebben nu twee soorten dialectliederen uit het verleden onderscheiden: een onverwacht klein gedeelte van het traditionele lied dat door de plattelandsbevolking werd gezongen, en een weliswaar bescheiden, maar misschien even onverwachte produktie door de elite, lees de burgerij. Dit komt grotendeels overeen met het klassieke onderscheid tussen liederen door en voor het volk.[23] Zoals alle dichotomieën is ook deze een simplificatie. In de regionale liedboeken van de elite zijn liederen `uit het volk' opgenomen en omgekeerd vinden deze liederen, als het ware gecanoniseerd, de weg terug naar brede lagen van de bevolking. Er is sprake van wisselwerking, van wederzijdse toeëigening. Deze verdoezelt de op zich heldere verdeling in traditionele en romantische liederen - welke laatste overigens gaarne `in de volkstoon' werden gedicht en gecomponeerd.

Meer recente muziek in dialect

Het is niet eenvoudig de verbinding te leggen tussen de twee genoemde historische categorieën en de hedendaagse regionale muziek. Ik meen twee tussenliggende muzieksoorten te kunnen onderscheiden, beide opvolgers of uitlopers van de eerste twee. Ten eerste is er de folk, de intellectuele revival van de volksmuziek. In deze stroming, die zoals bekend in eerste instantie gericht was op volksmuziek uit andere landen zoals Engeland en Ierland, heeft ook belangstelling voor de streektaal bestaan. Diverse Brabantse folkgroepen zongen in het Brabants, Irolt in het Fries, Törf zingt nog immer in het Gronings en Zaand, Zeep & Zoda in het Twents. Ook hierbij is soms sprake van de constructie van een nieuw repertoire. Zo zong Irolt eigen Friese teksten op buitenlandse melodieën. Hoe graag men ook had willen teruggrijpen op een authentieke Friese volksmuziektraditie, deze bleek niet te bestaan, althans het Frysk Lieteboek voldeed niet aan die notie.[24] Ook folkmusici uit andere streken gingen in de nadagen van de folkbeweging eigen teksten maken in plaats van traditionele muziek te herinterpreteren.[25] Deze ontwikkeling is van direkt belang geweest voor de hedendaagse streektaalmuziek, waarin nog steeds musici met een folkverleden werkzaam zijn. Het aandeel van de folk zelf, die aan het einde van de jaren zeventig haar hoogtepunt beleefde, is sterk teruggelopen. Invloeden van de folk hebben wel door-gewerkt bij sommige nieuwe regionale bands, zoals bij Rowwen Hèze (via The Pogues) en bij de uiterst populaire Achterhoekse groep Bob Foi Toch.
De tweede muziekstroming tussen verleden en heden is moeilijker te benoemen. Het gaat om dialectliedjes die muzikaal wortelen in een niet al te ver verleden, in elk geval vóór het rocktijdperk, en de toenmalige lichte muziek weerspiegelen: de regionale weerklank van wat er zich in het westen en in Hilversum op het gebied van cabaret, schlager en levenslied afspeelde. Het genre bestaat nog steeds, al onttrekt het zich grotendeels aan onze waarneming. Het wordt gezongen op bruiloften en partijen in cafés en zaaltjes in de provincie. De liedjes wisselen daar af met conferences, voordrachten van verhalen, anecdoten en moppen, zoals de Kamper ui en in - het zuiden de buut, die ten beste wordt gebracht tijdens het buutreednen of tonpraten. Het dialect is essentieel bij deze letterlijk platte humor. Er is nauwelijks over geschreven, maar er bestaat een indrukwekkende documentatie: de zogenoemde Plat-serie die de firma Ivory Tower Records uit Bornerbroek sedert het begin van de jaren tachtig uitbrengt op LP's en inmiddels ook op CD. De afleveringen worden eenvoudig genoemd Twente Plat, Drenthe Plat, De Peel Plat, Twente Plat 2, Drenthe plat 2, enzovoort.[26] Onlangs is de maar liefst de tiende aflevering van West-Friesland Plat gepresenteerd. Conferences en liedjes worden ter plaatse opgenomen. Van de honderden artiesten noem ik slechts bij wijze van voorbeeld Kleuzien oet Zalk, behalve als vertelster van anecdoten landelijk bekend als weer- en kruidkundige; Driekus Kruutmoes, gespecialiseerd in Kamper uien; Klein Rieksie uut Rolde, de buutreedner Joanus Kloassen uit het Betuwse Huissen; de Zaanse Zusjes enzovoort. De artiesten zijn vaak uitgedost in boerenkapeltenue of klederdracht.
Naast dit voor de Westerling obscure repertoire is er uiteraard de carnavalsmuziek, in Limburg, Brabant en enkele plaatsen elders in het land sedert de jaren zeventig weer in dialect, als reactie op de commerciële randstedelijke carnavalsschlagers. Het gaat om een springlevend repertoire dat met name in Limburg jaarlijks wordt ververst met behulp van een speciale wedstrijd, het Vastelaovesleedjes Konkoer.[27] Minder bekend zijn de revues, die in Overijssel hoogtij vieren alsmede in Midden- en Noord-Limburg, maar ook elders in het land nog worden opgevoerd.[28] Eenmaal per jaar wordt zo'n aaneenschakeling van sketches en liedjes geproduceerd. Lokale toestanden worden daarbij aan de kaak gesteld, uiteraard in het plaatselijk dialect.

De hedendaagse streektaalmuziek de rol van de regionale radio

Het is voor een randstedeling niet eenvoudig zich een beeld te vormen van wat er zich momenteel op het gebied van de dialectmuziek afspeelt in de afzonderlijke provincies. De landelijke muziekbladen signaleren hooguit het handjevol groepen die de regionale barrière doorbreken. Ik heb me een globale indruk verschaft van het fenomeen door een enquête te houden onder de regionale omroepen. Populaire muziek in zijn huidige vorm bestaat immers bij de gratie van de media, in het bijzonder de radio en de CD. Mijn informanten waren muziekredacteuren van de regionale omroepen en ze bleken vaak nauwelijks te stuiten in hun enthousiasme. Ik sprak met medewerkers van de regionale omroepen van Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel (in het bijzonder Twente), Gelderland (in het bijzonder de Achterhoek), Noord-Brabant, Limburg, Zeeland en Noord-Holland (de laatste in verband met West-Friesland).[29] Alleen in de randstad bleken de regionale zenders geen bijzondere aandacht te besteden aan muziek in de streektalen, in casu stadsdialecten als het Amsterdams, Utrechts, Haags of Rotterdams en enkele nog bestaande plattelandsdialecten.[30]
Allereerst heb ik getracht een kwantitatieve indruk te verkrijgen. Sommige omroepen bleken richt- of beleidslijnen te hebben aangaande muziek in de streektaal. In Friesland, waar alle uitzendingen in het Fries gaan, houdt men de vuistregel aan dat er per actualiteitenrubriek een tot twee liedjes in het Fries worden gedraaid. In Limburg, waar overwegend Nederlands over de radio gesproken wordt, is zo'n 10 procent van de liedjes in amusements- en verzoekplatenprogramma's in het Limburgs. Behalve in Friesland en Brabant hebben alle regionale zenders wel één of meer programma's per week, waarin regionale onderwerpen aan de orde komen, inclusief de streektaal. Hier wordt uiteraard ook de meeste regionale muziek ten gehore gebracht. Zo ontwaakte Groningen 's zondags tot voor kort onder de klanken van regiomuziek tijdens het programma Nog eem Noasoezen van Imca Marina, tussen tien en elf. In de Achterhoek is er een succesvol live-programma Rondum Reurle (Rondom Ruurlo) met onder meer eigen muziek. In Twente kent men het programma Regiotaal en dialect-koffieconcerten. In Zeeland is er Zeeuwse streken. In Drenthe, waar men naar 20 procent dialect streeft, is er een programma Muzementen, geheel gewijd aan muziek uit de eigen regio, overwegend in dialect. Deze provincie kent ook programma's over streektaalmuziek in het algemeen, inclusief Vlaams en Platduits. Omroep Brabant, waar in beginsel geen dialect wordt gesproken, heeft een programma Muziek beneden de Moerdijk met muziek van Brabantse artiesten, echter lang niet altijd in dialect. In Limburg draait men driemaal per dag de zogenoemde Kiesschijf, bij voorkeur in het Limburgs gezongen.
De effectieve tijd dat regiomuziek op de afzonderlijke stations klinkt, lijkt percentueel bescheiden. De betrokkenheid van de stations is daarentegen groot. In Groningen bijvoorbeeld richt het opnamebeleid zich vrijwel uitsluitend op liedjes in de streektaal. Verscheidene redacteuren verzekerden me dat de opkomst van de regiomuziek voor een groot deel te danken is aan de stimulans die uitgaat van de regionale omroep. Omgekeerd lijkt ook het succes van regionale omroepen als die in Drenthe samen te hangen met de bloei van de regionale muziek aldaar. Ze draagt bij aan de profilering van de omroepen.
Naast het aandeel in het muziekaanbod op de radio kunnen we ook kijken naar de musici teneinde een kwantitatieve indruk te krijgen. Per provincie - afgezien van de randstad - wisten de redacteuren gemiddeld zo'n tien zangers en groepen te noemen. Met deze ruim tachtig zangers en groepen zal een belangrijk deel van de radiofähige dialectmuziek in kaart zijn gebracht. Maar er zijn er veel meer actief; alleen al voor de provincie Groningen werden zo'n vijftig dialectzangers en -groepen geteld.[31] Ondanks de ongeveinsde interesse van de regionale omroepen zeiden sommige muziekredacteuren echter een kwalitatieve streep te moeten trekken.
Wat voor soorten muziek houdt hedendaagse streektaalmuziek nu in? De relatie met de eerder genoemde soorten dialectliederen is slechts in beperkte mate aanwezig. Oude volksliedjes puur natuur worden momenteel niet op de radio ten gehore gebracht. In Brabant en de Achterhoek is dat in het verleden wel gebeurd, en in het enthousiaste Drenthe denkt men erover deze draad weer op te nemen. Door folkgroepen zijn oude liedjes tot nieuw leven gewekt, maar de malaise in de folk is, zoals eerder gezegd, ook bij de regionale omroepen merkbaar. Het Plat-repertoire lijkt zich grotendeels onder de genoemde kwalitatieve streep te bevinden. De hoofdmoot van de regionale muziek bevindt zich in een gebied dat zich uitstrekt van luisterlied tot levenslied; country, folk, easy-listening, in het algemeen vriendelijke, niet te veeleisende muziek voor publiek van boven de dertig. Daarnaast is er de regionale rock in de streektaal, die op een jeugdiger publiek mikt en ook gebruik maakt van regionale muziekstijlen van elders als texmex en cajun.

Motieven

Waarom maakt men regiomuziek, en waarom slaat het aan? De radioredacteuren spreken in dit verband steeds van regionaal bewustzijn, soms vermengd met een vleugje nostalgie. Sommige zangers gebruiken het dialect wegens het humoristische effect, maar zij zijn in de minderheid. `Het dialect is dicht bij de mensen en maakt de muziek herkenbaar', aldus presentator Arie Ribbens van Omroep Gelderland. `Het publiek denkt: "Het zijn onze jongens`.[32] `Met nationalisme, chauvinisme of eigen volk eerst heeft het niets te maken', zegt Jan Ottink, een van de meest produktieve dialectmuzikanten uit de Achterhoek. Eerst schreef hij zijn liedjes in het Engels, maar ontdekte dat het eigen dialect meer mogelijkheden bood. `Het Engels is je taal niet en de mensen verstaan het maar half. Tegelijkertijd heb je minder last van clichés (..) Je moet je eigen traditie bedenken'.[33] Dianne Marsman, zangeres in Ottinks band, kan haar emoties beter kwijt als ze in de streektaal zingt.[34] `Als tekstschrijver druk je je het best uit in de moedertaal, en voor mij is dat het Drents. Daarin vind ik de woorden die mijn gevoelens het best in mijn liedjes uitdrukken', aldus de 41-jarige musicus en producent Luuk Pieters.[35]
Het regionale bewustzijn waaruit de dialectmuziek voortkomt, mag dan niet eng-patriottisch zijn - daarvan is mij ook bij anderen niets gebleken - er is wel sprake van een zekere tegenbeweging ten opzichte van de randstad. Men is er trots op `boer' te zijn - een geuzennaam volgens Hans Keuper, zanger van Boh Foi Toch.[36] Ook in het Limburgse carnavalslied is er sprake van een reactie op de randstad, zoals eerder opgemerkt. Veelzeggend is in dit verband dat sommige zangers en groepen zowel in het Engels als in de streektaal opereren, maar niet in het Nederlands.

De hedendaagse streektaal-muziek: inhoud

Men vraagt zich af wat er van de hierboven gesignaleerde motieven voor het gebruik van het dialect - regionale identiteit, nostalgie, humor - in de teksten van de liedjes terug te vinden is. We zullen daartoe enkele CDs op deze aspecten bestuderen. Een goed voorbeeld lijkt de CD Luster naor de radio, uitgebracht door Radio Drenthe (1991).[37] De CD bevat, volgens de ondertitel, de 22 meest gevraagde Drentse liedjes, en kan daarmee representatief gelden voor althans één provincie. De titelsong, van zanger Ab Drijver, zet de toon. Vroeger, zingt hij, luisterde het hele gezin naar de radio, maar met de komst van de televisie kwam daaraan een eind. Nu is er echter de regionale omroep en luistert men weer als vanouds naar de radio, naar het eigen geluud. De provincie als één groot gezin van vroeger. Dit nostalgische element is kenmerkend voor veel van de nummers van de CD, al wordt het nergens zo sterk verbonden met het Drent-zijn als hier. In een ander lied stelt Drijver, zelf journalist van beroep, de boer centraal. In country-stijl, of beter truckerstijl, bezingt hij de aantrekkelijke kanten van het boer-zijn - stoere arbeid in een mooi landschap - maar signaleert ook minder aangename aspecten die de moderne tijd met zich meebrengt: toerisme en de landbouwpolitiek.

In 't veurjaor en bij zummerdag dan banjert de toeristen,
Bij toeren zo de baander in, zij komt uut 't hele laand,
Ze zuukt de braderieboer: rooie buusdoek, gele klompen
Hij speult 't spellegie met en melkt de sik even met de haand.

Maor hij is ok undernemer die heel geern bewiezen wil
Dat e niet de leste boer is van dat eeuwenold geslacht
Hij wil niks weten van saneren want hi holdt van zien bedrief
En daorum warkt e als een peerd, hij hef joa haanden an zien lief.
[38]

Nostalgie, landschap en natuur zijn thema's die vaak terugkeren. Ook het dialect komt in deze samenhang in enkele liedjes ter sprake. De strekking van het laatste nummer van de CD, gezongen door Luuks Nijsingh, boer van beroep, is bijvoorbeeld: als dialect je niets meer zegt, ben je je oude plek vergeten. Naast deze serieuze thema's is er een aantal liederen dat het van de humor moet hebben: lokaal getinte liederen zoals die van Henk Lanting over het naoktstrand te Grollo en van het duo Harm en Roelof over een boerenblaaskapel die het bezoek van de koningin probeert op te luisteren. Aanstekelijk zelfspot klinkt uit Ik ben moar `n boer'njong van Jan Diever uit Diever, een creatie van Henk Bemboom. Het lied is een cover van Thank God I'm a countryboy, een nummer van de bekende countryzanger John Denver. Er is ook niet-lokale humor, zoals de ode aan een cactus, een bewerking door Roelof Pieters naar de Comedian Harmonists, en een opsomming van te verzekeren objecten door het Duo Dampo in díxíelandstijl.
Als geheel zijn er twee thema's dominant: enerzijds humor, anderzijds het complex nostalgie, landschap en natuur, soms uitgebreid met concrete jeugdherinneringen en beschouwingen over dialect. Slechts vier van de 22 liedjes staan buiten deze hoofdthema's en behandelen algemene gevoelens als verliefdheid of het verlangen naar vrijheid, zonder lokale of regionale verwijzingen. Met de genoemde twee niet-lokale humoristische liedjes komen we dan op zes van de 22 nummers, waarvan thematiek of uitwerking niet op de een of andere manier met de regio samenhangen, afgezien van het dialect waarin gezongen wordt. Bijna driekwart van de liedjes is dus wel regio-gekleurd. Dit suggereert dat het dialect geen uiterlijk middel is maar een essentieel onderdeel van een ook tekstinhoudelijk sterk regionaal getint muziekgenre.
Muzikaal blijft de Drentse CD binnen de grenzen van de lichte muziek. Genres als country en dixieland kwamen al ter sprake. Nogal wat liedjes zijn in de trant van cabaret en chanson. Opvallend zijn twee oude opnamen uit 1958 en 1968, die de revuestijl in herinnering roepen. Het is wellicht goed om te constateren wat buiten de muzikale range van de CD valt: enerzijds de volksmuziek en de folk, en anderzijds actuele popmuziekstijlen. Het meest `moderne' in dit opzicht is een nummer van Erika Karst in jaren-vijftig rock-'n- roll. Het meest traditionele is de blaaskapelmuziek van Noaktstrand, dat in zijn ironie geïnspireerd lijkt op Boudewijn de Groots Land van Maas en Waal.

Een overzichts-CD uit Friesland biedt welkom vergelijkingsmateriaal. De beste fan Omrop Fryslân geeft 17 hits op fersyk (1992).[39] De opzet en ook het materiaal lijken veel op de CD van Omroep Drenthe. Ook in de Friese muziek blijken thema's als landschap, natuur en nostalgie een belangrijke rol te spelen, naast uitgesproken komische nummers. Veel wordt lokaal ingekleurd. Enkele verschillen met de Drentse CD verdienen te worden opgemerkt. Hoewel de Friese CD relatief iets meer liedjes van niet-regionale aard bevat, komen er juist ook enkele liederen op voor waarin de liefde voor de provincie uitdrukkelijk wordt beleden. Het zo te horen tientallen jaren oude liedje Dat alles is Fryslân foar my van Ritske Numan (begeleid op hammondorgel) somt een lange rij landschappelijke en nostalgische aspecten op. In Wêr sjocht men sa 'n roette (Waar zie je zo'n ruimte) geeft Leny Dijkstra uiting aan dezelfde gevoelens. Elk jaargetij voelt ze weer: Fryslân, dat ik by dy hear. Zelfs de in elk geval muzikaal meer in het heden staande Gurbe Douwstra ontkomt niet aan gevoelens voor zijn heitelân (vaderland), hoewel ze tweeslachtig zijn. In een parafrase op een nummer van Henk Temming verklaart hij zich in geen enkele andere Nederlandse provincie thuis te voelen, maar toch ook zijn twijfels te hebben aan zijn heitelân met zijn aparte volk, waar nooit iets gebeurt.
Dergelijk patriottisme is op de Drentse CD minder, of in elk geval minder hoorbaar aanwezig. Of de Friezen grotere patriotten zijn dan de Drenten laat ik hier in het midden, maar wel beschikken ze over een rijkere traditie met onder meer patriottische liederen, zoals al in het begin van dit artikel bleek. Die traditie komt nog eens duidelijk naar voren in een parafrase van het bekende Troika van Drs P. gezongen door Rients Gratama. Tijdens de wilde sleevaart naar Omsk wordt hier EEG-boter aan de hongerige wolven gevoerd in plaats van kinderen. De Nederlandse volksliederen waarmee het gezin van Drs P. er de moed probeert in te houden blijken gemakkelijk vervangbaar door een keur van Friese liedjes, variërend van het negentiende-eeuwse Us Heitelân tot het recente Sipkema olé.
De regionale traditie komt verder naar voren in liederen over het kaatsen en het skûtsjesilen, en wellicht ook in het thema `vogel' dat in verscheidene liederen terugkeert. Wellicht doet zich hier de literaire invloed gelden van het in Friesland alom bekende gedicht Skier swarte fûgel van Sybesma.
Gesteld dat de hierboven gesignaleerde verschillen significant zijn, dan nog blijven de Drentse en de Friese CD's zeer vergelijkbaar, niet alleen in thematisch opzicht maar ook muzikaal. Toch is het de vraag of ze representatief zijn voor alles wat er momenteel op het gebied van de dialectmuziek gebeurt. Met name ontbreekt de popmuziek, die zeker in Friesland welig tiert, ook in het Fries. Kijken we naar de beroemdste regionale popgroep, Normaal, dan past deze boerenrock nauwelijks in het boven beschreven regionale gemiddelde. Ook bij Normaal is het leven op het land uitgangspunt, maar dan het leven van de tegendraadse plattelandsjongere. De klassieker Oerend hard, getoonzet op stevige rock, beschrijft de terugtocht van een motorcross in de Achterhoek:

Bertus op zien Norton en Tinus op de B.S.A.
An 't gevoar hadden zij nog nooitgedach
Zie waren koning op de weg en dachten alles mag
Zi-j gingen oe-oeh-oehoe-oe-hoe-oe-oe-oeh-oerend hard


Het lied eindigt met een tragisch ongeluk van Bertus en Tinus, heroïsche consequentie van stoer nozemdom. In het lied Daor baal ik van geeft Normaal uiting aan zijn ongenoegen over moderne, intellectuele of anderszins stadse fratsen:

Toen ik op de boerderi-je laats an 't heujen was
Kump doar zo'n import Westerling hie woon'n hier nog moar pas
Klagen oaver onzen trekker van 't geluud had hij zo'n last
En as wi-j 't land bemesten wilt dan stinkt 't um te hard
Moar kunsmes gebroeken dat mag ok niet
Biologies verantwoord nuumt ze dat
Doar baal ik van.


Normaal baalde verder van Jezusfreaks, Hara Krishna, Jehova's getuigen, import-muziek als funk en bands die de top tien bereikten.
Niet alle popgroepen die in dialect zingen, zijn zo uitgesproken tegendraads. De Jan Ottink Band, eveneens afkomstig uit de Achterhoek, onderscheidt zich door meer poëtische, vooral amoureuze teksten, waarin het regionale aspect geen rol van betekenis speelt. Helemaal afwezig is het niet. Temidden van enkele universele liefdesliedjes klinkt opeens Laot mie allene, allene, allene,l 't Paosveur is oet, de warmte verdwenen.[40]
Rowwen Hèze bevindt zich tussen deze uitersten. Ook hier horen we liederen over algemeen menselijke gevoelens als liefde en onzekerheid, maar nu doorspekt met veel drank, zweet en jeugdherinneringen, tegen het decor van de Peel.
Tot slot van deze tamelijk willekeurige parade van hedendaagse dialectmuziek de Zeeuwse zanger Peter Dieleman. Op zijn CD Hrenslinden (grenslinden; in het Zeeuws klinkt de `g' als `h') geeft Dieleman uiting aan gevoelens van nostalgie, aan zijn liefde voor de natuur en aan zijn afschuw van industrialisatie, milieuvervuiling, landschapsaantasting en toerisme:

Soms dool ik langs restanten van 't verleden
Over hrond wirra m'n voorouwers voe streden
Langs die uusjes mi der hroenheverfde blinden
Over diekjes mi die mooie ouwe linden.
[41]

Zummer in Zeeland, n file bie Rilland
Zimmer frei, en zwart kampere
Zummer in Zeeland, je troep in de hoskant
In 't stiltehebied je bôôj' afmere
Ze komm mi horden, nehere de borden
Wirrom môj' toerisme nog stimuleren
Zeeuwen in Zeeland maek ruumte voe al die Toeristen, toeristen.
[42]

Besluit

Het bovenstaande is niet meer dan een verkenning van het fenomeen dialectmuziek. Het zijn de eerste indrukken van een randstedeling die ontdekt dat achter de Waterlinie een actuele muziekcultuur floreert. Van een evenwichtig overzicht van het repertoire en de ontwikkelingen daarbinnen kan nog geen sprake zijn - ik beschik eenvoudig nog niet over voldoende materiaal. Vele vragen blijven vooralsnog onbeantwoord. Hoe verklaren we bijvoorbeeld de hausse die lijkt in te zetten aan het einde van de jaren tachtig? Uit een algemene reactie op macro-ontwikkelingen als verstedelijking, Europese eenwording, mondialisering? Of uit de opkomst van de regionale omroepen? Hoe past de dialectmuziek in de zogenoemde dialectrenaissance of dialectgolf, de toenemende belangstelling voor het dialect in andere culturele uitingsvormen en in de dagelijkse omgang? En hoe past de Nederlandse dialectmuziek in internationale ontwikkelingen?
Eén vraag heb ik al aan het begin van dit artikel gesteld, namelijk: hoe verhoudt de dialectmuziek zich tot regionale identiteit? Aan die vraag zal dit voorlopige besluit zijn gewijd.[43] Ten eerste is er de vraag over wiens identiteit we precies spreken. Dat kan zijn die van een streek of provincie, of zelfs een groter gebied: `de' regio, in tegenstelling tot de randstad. Daartegenover staat de lokale identiteit. In Zuid-Holland, waar nauwelijks van een regionale identiteit kan worden gesproken, bestaan wel degelijk lokale identiteiten. In Katwijk bijvoorbeeld is de in plaatselijk dialect zingende Tinus Tulp een volksheld; buiten het dorp is hij echter onbekend. Er kan ook een spanningveld zijn tussen de regionale en lokale identiteit, zoals in Limburg. De regionale identiteit word daar bewust hiërarchisch gesteld boven de lokale door middel van het jaarlijkse Vastelaovesleedjes Konkoer, waarbij plaatselijke liedjes om de provinciale eer strijden. Het dialect van het winnende lied wordt soms zodanig geredigeerd dat alle Limburgers het kunnen zingen.[44]
Naast deze groepsidentiteiten speelt ook de persoonlijk identiteit van de artiest een rol. Als een zanger of dichter voor het dialect kiest omdat hij daarin zijn gevoelens het best kan verwoorden, handelt hij dan uit een gevoel van regionale identeit? In beginsel niet, zolang zijn teksten geen sterke verbondenheid met de streek laten zien. Anderzijds leeft die zanger niet op een eiland. Men kan dan ook betogen dat het succes van zo'n in beginsel individualistische zanger, en daarmee diens motivatie om door te gaan, voorkomt uit de regionale identiteit van het publiek.
`Je moet je eigen traditie bedenken', zei Jan Ottink, een van de zangers die het minst hun regionale identiteit laten blijken. Dat klinkt naar invention of tradition, maar het is toch niet helemaal wat Hobsbawm bedoelde met die term.[45] Ottink doelt op het scheppen van een nieuw genre, waarin het enige traditionele element het gebruik van dialect lijkt. Lijkt, want zoals we gezien hebben is het dialect nu juist geen kenmerk van het volkslied, en dat is het genre dat zich bij uitstek voor folklorisering leent, het literair-muzikale equivalent immers van klederdracht, klompenmaker en korenmolen. Het volkslied speelt een te verwaarlozen rol in de hedendaagse streektaalmuziek. De uitdrukking invention of tradition past beter op de folk die hetzij oude volksliederen weer nieuw leven inblies dan wel nieuwe teksten op traditionele melodieën zong. Ook op de Fries- en Groningstalige liederen uit de vorige eeuw is Hobsbawms etiket meer van toepassing. Daar immers werd een band met het verleden gesuggereerd: denk aan de lappenmand van de oude schoenmaker, waarin de Halbertsma's hun Friese verzen deponeerden, of aan de `volkstoon', die zowel in tekst als muziek werd aangebracht. Dit repertoire bevat ook de provinciale hymnen - typische exponenten van invented tradition -, en andere liederen die die functie even goed zouden kunnen vervullen.
De huidige streektaalmuziek echter construeert het regionaal eigene met behulp van actuele middelen, die ook als zodanig ervaren worden: muziekstijlen als rock, chanson, country, texmex en dergelijke. Het gebruik van het dialect benadrukt hier dat men zich die muziekstijlen eigen heeft gemaakt, of beter: dat het nu muziek van de mensen zelf is geworden, waarin men de eigen gevoelens kan uitdrukken en herkennen. Ook het type streektaal dat wordt gebruikt - minder de oude plaatselijke dialecten dan wel de regiolecten, de moderne eenheidstalen van de regio's - weerspiegelt dat de hedendaagse dialectmuziek met beide benen in het heden staat. Wel komt in deze actuele muziek een overwegend traditionele instelling tot uiting, waarin het snelle moderniseringsproces en bijbehorend identiteitsverlies worden betreurd, het regionale boven het grootstedelijke wordt geprefereerd en evenzo een algemeen plattelandsgevoel boven provinciaal patriottisme. Het dialect vormt één van de pijlers van die gewenste, traditionele identiteit en is zo tegelijkertijd voertuig en bestanddeel van de boodschap.

Summary (Samenvatting in het Engels van dit artikel).

Noten bij dit artikel.

Deze tekst is met toestemming van de uitgever
overgenomen uit:

"Constructie van het eigene
Culturele vormen van regionale identiteit in Nederland"

onder redactie van:
Carlo van der Borgt, Amanda Hermans en Hugo Jacobs,

SUN, Amsterdam 1996,
(ISBN 90 70389 495)


Deze pagina is bijgewerkt op