Elsevier op het web


Een nieuwe taalstrijd

MET STREEKTALEN IS IETS VREEMDS AAN DE HAND: ZE BELEVEN EEN RENAISSANCE EN ZINGEN TEGELIJKERTIJD HUN ZWANENZANG

Voorvechters van het Fries, Limburgs, Neder-Saksisch en Zeeuws bepleiten de 'culturele verscheidenheid'. Jongeren tonen minder belangstelling voor streektalen. Om dialecten levend te houden, worden tal van initiatieven ontwikkeld. Lokale overheden willen wel, maar 'Den Haag traineert de boel'.


THOMAS VAN DEN BERGH en ABE DE VRIES

Hollands licht valt met bakken door de gebrandschilderde ramen. In de doopsgezinde kerk van Veenwouden, een forensendorp boven Leeuwarden, zijn enkele tientallen belangstellenden komen opdagen voor een forumdiscussie van schrijvers uit Friesland. Een symposium door, maar ook voor het regionale literaire establishment, zo lijkt het. Weinig ‘volk’, wel veel kopstukken uit het Friese culturele milieu, die elkaar bij de koffie en de cake op de schouder slaan.
    De vraag vandaag luidt: waarom gebruikt de ene auteur de streektaal, en bedient de ander zich van het Standaardnederlands?
    Taalgebruik, zo blijkt, is voor de jongere schrijvers uit ‘it heitel‚n’ facultatief. Friese dichters als Tsead Bruinja en Albertina Soepboer werken, als het uitkomt, ook met het Nederlands, al kiezen ze meestal voor het Fries. Maar een oudere literator als Trinus Riemersma moet van die oprukkende tweetaligheid niets hebben. Riemersma, wiens roman Nei de klap (Na de klap) onlangs in het Nederlands verscheen, put uit de volkstaal, zoals die op straat wordt gesproken. ‘In het Hollands schrijven is voor mij dus geen reŽle mogelijkheid,’ zegt hij. ‘Ik beheers alleen maar het boekje-Hollands.’

Met de streektalen is iets vreemds aan de hand. Ze lijken zowel een renaissance te beleven als hun zwanenzang te zingen. Nog nooit is er zo veel aandacht besteed aan het Fries, Gronings, Drents, Twents, Limburgs en Zeeuws als de laatste jaren, en tegelijkertijd spraken nog nooit zů weinig mensen het regionale idioom, dat tot verdriet van de liefhebbers ook nog 's in hoog tempo ‘vernederlandst'.
    Regiobands als Skik (Drenthe), Rowwen HŤze (Limburg), Twarres en De Kast (Friesland) zijn met hun deels of uitsluitend streektalige popmuziek succesvol op de Nederlandse markt en treden overal in het land op. Het aantal in een streektaal geschreven dicht-en verhalenbundels en populair-historische boeken en boekjes dat aan de man wordt gebracht is sinds de jaren zeventig explosief toegenomen. Een steeds groter publiek is geÔnteresseerd in ‘wortels’. Regionale tv en radio trekken grote aantallen kijkers en luisteraars, regionale kranten gebruiken in een deel van hun artikelen de streektaal. Provinciebesturen voeren een actief bevorderingsbeleid. Alleen al in Groningen zijn rond de honderd cd's met Groninger muziek verkrijgbaar.
    Drs. Lť Giesen is voorzitter van de vereniging Veldeke Limburg, die zich inzet voor het Limburgs. Ook hij bespeurt een duidelijke toename in de belangstelling voor de Limburgse streektalen. ‘Vooral sinds de erkenning van het Limburgs als taal, vijf jaar geleden, is het meer geaccepteerd om Limburgs te kallen. Ook bij officiŽle gelegenheden hoor je burgemeesters en andere hoogwaardigheidsbekleders regelmatig het publiek in dialect toespreken. Dat was vroeger ondenkbaar.’ De regionale Limburgse radio- en tv-zender Ll heeft aan de emancipatie van het Limburgs bijgedragen, zegt Giesen. ‘Vroeger waren vrijwel alle programma's in het Nederlands, nu zie je steeds meer mensen op tv die vrijuit hun eigen streektaal spreken.’
    En toch. ‘De teruggang is er, absoluut,’ zegt Jan Germs, de enige betaalde kracht van de Stichting Drentse Taal. ‘Je ziet het om je heen: ouders spreken nog wel Drents, maar hun kinderen leren alleen de landstaal. Hoe vaak is mij niet gevraagd of ik niet trek aan een dood paard.’ Nog slechts de helft van de Drentenaren zou de eigen taal spreken. Siemon Reker, de Groningse streektaalfunctionaris en bijzonder hoogleraar Groninger taal en cultuur, ziet eenzelfde neergaande lijn. Betrouwbaar onderzoek is er niet, maar uit een enquÍte van TV Noord in 1995 bleek dat in de categorie 18 tot 25 jaar nog slechts 44 procent van de Groningers zichzelf beschouwt als dialectspreker.

In Friesland, de enige provincie waar over een langere periode onderzoek is gedaan, lijkt de situatie beter. Volgens cijfers uit 1994 beheerst 64 procent van de bevolking het Fries, tegen 85 procent in 1967. Volgens sociolinguÔst Johannes Ydsma van de Fryske Akademy vond de teruggang vooral plaats in de jaren zeventig, met de komst van vele tienduizenden niet-Friezen naar de provincie. ‘De laatste decennia is het gebruik en de beheersing van het Fries stabiel,’ zegt Ydsma. Hij dankt dat niet zozeer aan de verplichte twee uur Fries op de basisschool, als wel aan de verhoging van de sociale status van het Fries, een effect dat vooral de populaire regionale media (Omrop Frysl‚n) bewerkstelligden.

LIMBURG

Jack Poels (1957), voorman van popgroep Rowwen HŤze

‘Ik ben geboren, getogen en afgetuigd in America, een klein dorp in de Limburgse Peel. Thuis en in het dorp werd altijd Limburgs gesproken. Op de lagere school kwam ik voor het eerst in aanraking met het Nederlands. Toen ik in bandjes begon te spelen, was de voertaal altijd Engels. Onze eerste nummers waren covers van Thin Lizzy en AC/DC. Ook de liedjes die ik zelf schreef waren Engelstalig. Al snel merkte ik dat ik me veel beter uitdruk in dialect. Ons publiek reageerde daar meteen heel enthousiast op. Een nummer als De Peel in brand over een zonsondergang boven de Peel, dat wordt herkend.
    We hebben geen enkel Nederlandstalig nummer, nee. Zingen in het Nederlands zou ons geografisch bereik ongetwijfeld vergroten, maar het gaat me minder goed af. De klanken van het Limburgs lenen zich beter voor liedjes.
    Overigens maak ik me niet druk over het voortbestaan van het Limburgs. Ik zie Rowwen HŤze niet als een middel om die taal levend te houden. De muziek moet de basis blijven.’


    De provincie Limburg laat zich er graag op voorstaan dat ze het grootste percentage dialectsprekers herbergt Maar hoeveel dat er precies zijn, is onduidelijk. Pierre Bakkes sinds vorig jaar streektaalfunctionaris van Limburg, schat dat 80 procent van de Limburgers zich bedient van het Limburgs, in al haar varianten. Maar de streektaalsprekers in Limburg vergrijzen, zegt Lť Giesen. Jonge mensen verstaan het dialect van hun woonplaats meestal wel, maar slechts 70 procent spreekt het ook, blijkt uit een recent gehouden enquÍte. Bakkes: ‘Er is sprake van een kleinere groep sprekers, die steeds bewuster met zijn taal omgaat.’
    In Zeeland lijkt, de situatie identiek. Er is een oplevende belangstelling voor de eigen cultuur en taal, getuige de massale opkomst bij studiedagen, kerkdiensten, cursussen en vertelmiddagen in het Zeeuws. Maar het aantal gebruikers neemt ook hier snel af. ‘In de vier grootste Zeeuwse gemeenten, Vlissingen, Middelburg, Goes en Terneuzen, zijn vrijwel geen Zeeuwstalige kinderen of jongeren te vinden,’ klinkt het somber in het vorig jaar opgestelde rapport dat de aanvraag voor een officiŽle erkenning van het Zeeuws als regiotaal moest ondersteunen.

ZEELAND

Piet Scheerders (1948), leider van cabaret- en muziekgroep Ambras

‘Ik ben opgevoed in een Zeeuws-Vlaams dialect. Om precies te zijn met het dialect van het “Land van Hulst”.Op de boogschietclub van Vogelwaarde kwam ik in aanraking met mensen die liedjes in dialect zongen. Dat waren oude liederen over moordpartijen en zo; vaak zat er een heel verhaal aan vast. Ik begon me daarvoor te interesseren en ben oude liedjes gaan verzamelen. Allemaal dialectspul.
    Later heb ik mijn eigen groepje opgericht om die liedjes aan de man te brengen. Ik schrijf zelf ook liedjes, en praat dat op ludieke wijze aanmekaar. Zo is Ambras ontstaan. Ik ben geen fanatiekeling als het gaat om het behoud van de eigen taal. Ik voel me geen apostel van het Zeeuws, al hebben we onze populariteit wel voor een groot deel te danken aan het feit dat we in het Zeeuws optreden. De herkenbaarheid is dan groter. Ik heb nooit overwogen mijn conferences in het Nederlands te houden. Ik zou het ook niet kunnen. Het dialect is onze eerste natuur. Er zijn hier veel Vlaamse invloeden, dat maakt het Zeeuws tot een zachte taal.’


    Is het eigenlijk belangrijk dat streektalen, die op den duur niet levensvatbaar zijn, blijven bestaan als levende talen die worden gesproken en waarin wordt geschreven? Maar natuurlijk, zeggen de voorvechters. Zij spreken over ‘cultuurgoed’ en ‘identiteit’, en over ‘culturele verscheidenheid’. Nee, vinden anderen. Talen veranderen nu eenmaal. Bovendien: wat is er mis met het Nederlands?
    Den Haag en de Europese hoofdstad Brussel geven de taalactivisten tot op zekere hoogte gelijk. De financiŽle steun voor het Fries, erkend als tweede rijkstaal en als minderheidstaal onder deel III van het Europees Handvest voor streektalen of talen voor minderheden, is aanzienlijk Zo wordt de Fryske Akademy, een instituut met 65 betaalde krachten dat onderzoek doet naar de Friese geschiedenis, taal en bevolking, grotendeels bekostigd door het rijk en kunnen uitgevers van Friese literatuur aankloppen voor subsidie bij zowel de provincie als het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds. ‘Rond de 40 procent van de productiekosten van een dichtbundel wordt betaald door dat fonds,’ zegt Louw Dijkstra van uitgeverij Bornmeer in Leeuwarden.
    In de andere regionale taalgebieden bestaat die subsidiemogelijkheid niet. De Neder-Saksische taalgroep (onder meer Gronings en Drents) is door Brussel erkend onder deel II van het Handvest, dat veel minder mogelijkheden tot steun meebrengt dan een erkenning onder deel III. Het is vooral een symbolische steun in de rug. Uitgeven van literair werk en bestudering van de taal is in die regio's sterk afhankelijk van beperkte provinciale fondsen. Provincies waar Neder-Saksisch wordt gesproken (Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland) streven naar erkenning van die taal onder deel III en de oprichting van een speciaal streektaalinstituut. Dat moet, vindt de Groninger Siemon Reker, het Neder-Saksisch niet bestuderen als een variant van het Nederlands, zoals aan het volkskundige Meertens Instituut in Amsterdam gebeurt, maar als een zelfstandig taalsysteem.

Ook het Limburgs is in 1997 erkend als regiotaal en voorzien van de deel II-status. Sindsdien is de provincie serieuze zaak gaan maken van haar streektaalbeleid. De instelling van een streektaalfunctionaris is daar een teken van. Bakkes kreeg vorig jaar ongeveer een half miljoen gulden (220.000 euro) te verdelen voor activiteiten die gebruik en kennis van de streektaal bevorderen. Zo kwamen er een Nacht van het Limburgse Lied, een literaire wedstrijd, een symposium en een website. Bakkes: ‘Ik ga me vooral op jongeren richten, op toekomstige ouders. Als die voor het Nederlands blijven kiezen, is dat funest voor de streektaal.’
    Daarom werkt Bakkes aan lesmateriaal waarin de attitudevorming ten opzichte van het Limburgs wordt aangepakt. ‘Nog altijd beschouwen veel jongeren de dialecten als iets boers, als het zieke broertje van het Nederlands. Ze denken dat het je onderwijskansen zou verlagen. Terwijl de Limburgse jeugd de beste schoolprestaties levert bij het vak Nederlands! Tweetalig zijn is een voordeel.'
    Ook in de provincie Zeeland heerst het besef dat het dialectbewustzijn niet vroeg genoeg kan worden aangewakkerd. De stichting School en Dialect maakte een cd en een boek met dialectfragmenten, die op de basisschool worden gebruikt om het negatieve imago van de streektaal weg te poetsen.
  Na Friesland, Limburg, Groningen en Drenthe, wil Zeeland op zijn beurt dat het Zeeuws een officiŽle erkenning krijgt. In maart vorig jaar deden de stichting Zuudwest 7 en de Zeeuwsche Vereeniging voor Dialectonderzoek daartoe een aanvraag in Den Haag. De Nederlandse Taalunie, een intergouvernementele organisatie die het Nederlandse en Vlaamse taal- en letterenbeleid op elkaar afstemt, oordeelde negatief, niettemin zegde staatssecretaris Gijs de Vries toe de erkenning nog voor de verkiezingen van 15 mei rond te maken. Maar toen viel het kabinet en werd alles op de lange baan geschoven. Tot ergernis van Conny Boersma, de beleidsmedewerker van de provincie die de aanvraag begeleidde: ‘Het is inmiddels een politieke kwestie geworden. Den Haag traineert de boel. Kijkje naar het Limburgs en het Neder-Saksisch, dan zou het Zeeuws op grond van het gelijkheidsbeginsel gewoon in aanmerking komen voor een taalstatus.'

FRIESLAND

Tsead Bruinja (1974), dichter, performer en organisator van literaire evenementen

Van het dichterschap bestaan is goed mogelijk, als je maar hard werkt. Ik doe veel betaalde optredens. Maar daarbij speelt zeker ook idealisme een rol: ik wil graag mensen naar de literatuur krijgen. In Friesland, de rest van Nederland en ook het buitenland draag ik voor. Concessies aan het publiek die je tijdens een optreden doet, horen erbij. Het is niet anders dan een schrijver die rekening houdt met zijn lezers.
    Ik ben niet in het Fries of Nederlands, maar in het Engels begonnen te schrijven. Toen ik 14 jaar was, songteksten. Het Nederlands stond ver van me af, en zoals zoveel Friezen van mijn leeftijd beheerste ik het Fries niet genoeg om erin te kunnen schrijven. Het Engels had iets romantisch, Nederlands vond Ūk afstandelijk, koel.
    Ik ben in het Fries gedichten gaan schrijven omdat ik merkte dat wat ik in die taal schreef, mij raakte. Friese dichters als Piter Boersma, Albertina Soepboer er Eeltsje Hettinga vind Ūk erg goed. Mijn Nederlandstalige gedichten zijn wat abstracter. Ik ben fulltime met de literatuur bezig. Het is mijn plicht tegenover de muze.'


Maar waarom per se een taalstatus? Wat is daar nu eigenlijk zo begeerlijk aan? Boersma: 'Het is vooral een emancipatoir streven. Met een officiŽle erkenning van het Zeeuws zullen veel Zeeuwen het gevoel hebben: wij zijn niet achterlijk.'

Voorlopig komt er allemaal niets terecht van de mooie plannen in Zeeland en de ambities van het Neder-Saksisch. Blijkbaar is met de steun aan het Fries voor de centrale overheid de limiet wel min of meer bereikt. ‘We zijn geen millimeter opgeschoten,’ zegt Reker ‘Den Haag voert waarschijnlijk toch een soort verdeel-en-heerspolitiek. Friesland kijkt naar Friesland, Groningen naar Groningen, maar wie kijkt over de provinciegrenzen heen?'
    De Stichting Drentse Taal doet haar best het tij te keren, onder meer met lespakketten voor de basisschool en een plan om ‘streektaalconsulenten’ in te zetten. ‘Al kregen de kinderen maar een kwartiertje les in het Drents,’ zegt Jan Germs. De nieuwe Groningse gedeputeerde van Cultuur, J. Gerritsen, wil veel extra geld uitgeven voor streektaalbeleid, onder meer voor een ‘Huis van de Groninger Cultuur’. Desondanks denkt Reker dat streektalen het best geholpen zijn als leerlingen een economisch duwtje krijgen. ‘Laat kinderen vrijwillig een examen in de streektaal afleggen, beloon de geslaagden met een hoog bedrag, zeg 1000 euro. Zet dat dertig jaar vast. Pas dan zullen ouders hun kinderen stimuleren om dialect te leren.’
    Want nu geldt ook voor het Gronings nog de Drentse waarheid: 'VanzŲlf, ik bun d'r veur dat kinder Drents mut leren. Behalve die van mij, die gaot studeren.’

WINDMOLENGEVECHT

Niet iedereen vindt de zorg voor streektalen even belangrijk. Jan Stroop, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, zegt: ‘De functie van dialecten verdwijnt. Hun rol wordt steeds marginaler. Het feit dat ze om erkenning bedelen, is daarvan een bewijs. De vereniging voor het behoud van windmolens is ook pas opgericht toen windmolens aan het verdwijnen waren. Ik zie de strijd voor het behoud van dialecten ook als een windmolengevecht.’
    De erkenning van een dialect als taal noemt Stroop ‘onwetenschappelijk’. ‘Waarom zou het Limburgs een taal zijn en het Brabants niet? “Het” Limburgs is een verzameling heel uiteenlopende dialectjes, en dat willen de laatste sprekers graag zo houden.’ Ook de Nederlandse Taalunie vindt de erkenning van dialecten als officiŽle taal onzin. De Taalunie maakt geen verschil tussen Zeeuws, Limburgs en Neder-Saksisch en bijvoorbeeld Brabants of Betuws.
    De discussie draait in feite om het onderscheid tussen dialect en streektaal. Het Europees Handvest voor streektalen of talen voor minderheden geeft hierover geen uitsluitsel. In het eerste antilel worden zowel de talen van etnische minderheden als dialecten uitgesloten van het predikaat ‘streektalen of talen voor minderheden’. Maar wat een dialect is, wordt niet gespecificeerd. Volgens Van Dale zijn de woorden ‘streektaal’ en ‘dialect’ synoniem. Volgens streektaaldeskundigen is dit nu juist pertinent niet het geval. Een streektaal is een taalvariant die niet heeft bijgedragen aan het ontstaan van het Standaardnederlands, zeggen zij, in tegenstelling tot een dialect.
    Johan Van Hoorde, medewerker van de Taalunie, is het hier niet mee eens: ‘Wij beschouwen het Nederlandse taalsysteem als een waaier van variŽteiten. Het Standaardnederlands is er daar ťťn van, net zo goed als de Nederlandse en Vlaamse dialecten. Maar is het dan niet jammer dat dialecten verdwijnen? Stroop: ‘Uiteraard. Maar het is onrealistisch te denken dat je er iets tegen zou kunnen ondernemen.’


Deze pagina is bijgewerkt op