Leeuwarder Courant op het web

DE BERNSBERN FAN BERNLEF

Zes jaar geleden organiseerde de Feriening fan Fryske Folksmuzikanten voor de eerste maal een festival waarop de leden van de vereniging acte de présence gaven. Naar de tweede naam van de vereniging kwam het festival „Tsjoch” te heten. „Tsjoch” is de oud-Friese heilwens die wordt uitgesproken bij het heffen van het glas en omdat zangers geregeld de keel moeten smeren was die naam uiterst toepasselijk. Er zal waarschijnlijk geen verband zijn, het is toch aardig te constateren dat terwijl de folkgolf over Friesland spoelde, de beerenburg zijn zegetocht door Nederland begon.
Het Tsjochfestival is een jaarlijkse traditie geworden en is dit jaar dus aan de zesde editie toe. De opzet is wat grootser geworden. De folk is in Friesland de kleinschaligheid ontgroeid. Het festival duurt nu de hele maand september. Ieder weekeinde is er ergens in Friesland wel iets te beleven op folkgebied. Afgelopen donderdag begon het festival op Schiermonnikoog, aanstaande donderdag strijkt het folkcircus neer in Engelum, Beetgum en Beetgumermolen. Oldeberkoop is de vijftiende aan de beurt, het laatste weekeinde begint 22 september in Balk. Wie de moed heeft al die weekeinden af te reizen kan er zeker van zijn dat hij ieder die zich in Friesland met folk bezig houdt wel een of meer keren aan het werk heeft gezien.
Alco Hoogcarspel van de groep Heelstone heeft het idee dat de folk in Friesland zijn beste tijd heeft gehad. Hij vreest dat de folk het af zal moeten leggen tegen de bezuinigingen en tegen de disco. „De wurkgelegenheid foar folkmuzikanten wurdt minder. It tal optredens is in tredde minder as in pear jier lyn en it motivearret net sa bot as jo net optrede kinne. By de kulturele sintra moatte se no rekkenje. Se nimme gjin risico's. Se organisearje leaver in discojûn, dat kin net stikken. Bekende groepen as Irolt en Yetris wurde noch wolris frege foar in kofjekonsert, mar oaren net mear.”
Jacob Lamminga, stafmedewerker muziek bij de Fryske Kultuerried, onderschrijft de constatering dat er voor de volksmuzikanten minder mogelijkheden zijn op te treden. „In kwesje fan jild,” vindt hij. Daarnaast is hij echter van oordeel dat de Feriening fan Folksmuzikanten op het punt van die optredens de hand ook wel een beetje in eigen boezem mag steken. „Dy folkgroepen binne te min bekend by de minsken. Kulturele kommisjes witte te min fan harren ôf om se yn har programma te setten. De folkmuzyk is in wrâldtsje, se dogge ek te min om nee bûten te kommen.” Dat de folkmuziek als stroming zijn langste tijd heeft gehad gelooft hij niet. De groei is er een beetje uit, dat wel, maar zo'n stabilisering kan juist tot bezinning en verdieping leiden. Lamminga gelooft dat er genoeg vernieuwende krachten in de wereld van de Friese folkmuziek werken om de toekomst optimistisch tegemoet te zien.
Het repertoire van de Friese volksmuzikanten loopt nogal uiteen. De grijze eminentie van de Friese barden, Pytjon Sikkema, vindt zijn inspiratie vaak in de actuele politiek. Dieuke de Vries bezingt graag de zee en de liefde. Irolt zingt veel balladen waarvoor oude volksverhalen de stof geleverd hebben. Dat geldt overigens voor meer groepen. Wat dat betreft zijn de boeken met volksverhalen van dr. Ype Poortinga voor veel tekstdichters een ware „fundgrube” gebleken.
Johan Cnossen is met zijn groep Gysbert lid van de Feriening fan Fryske Folksmuzikanten, al vindt hij niet dat zijn groep nou zo'n typisch folkgeluid heeft. „Wy spylje wol folk, mar wy dogge ek mear klassyk wurk en it rockwurk.” Dat zit hem ook een beetje in het instrumentarium van Gysbert, vindt hij. Dat bestaat uit gitaar, trompet, drums, saxofoon, dwarsfluit en piano. Bijna stuk voor stuk instrumenten die geen enkele rechtgeaarde folkzanger ter hand zal nemen. Die houden zich meestal bij de banjo, het wasbord, de tinwhistle, de accordeon, de gitaar en de tamboerijn. Daarnaast versterkt Gysbert zijn „sound” ook nog eens elektrisch, in de folkwereld ook een vrij onorthodokse manier van doen. „Mar sa hearre de lju op dy festivals ek ris wat oars. Folk is faak itselde. It ferfeelt wol as jo dêr in hele jûn nee harkje moatte,” vindt Cnossen.
De groep Yn ‘t Flear uit Heerenveen bestaat uit de gebroeders Johannes, René en Harry de Vries. In tegenstelling tot Gysbert werkt de groep volkomen akoustisch. Johannes zingt en hanteert de gitaar en het wasbord, René doet de accordeon en Harry de viool. De groep is al zo'n zeven jaar actief en brengt uitsluitend Friestalig repertoire. „Want wy binne Frysk en it Frysk moat der eins bliuwe," aldus Harry die voor de folkmuziek duidelijk een „taalbefoarderjende” taak ziet weggelegd. Vaak treedt Yn ‘t Flear niet op. Dat beperkt zich hoofdzakelijk tot de festivals, al worden de broers ook wel eens door de Commerciële Club of door de Vereniging voor Handel en Industrie van sommige centrumplaatsen ingehuurd om een middagje als straatmuzikant te fungeren ergens op een promenade of een braderie. De folkmusicus als levende „muzak”.
De Feriening fan Fryske Folksmuzikanten is zich al lang bewust van het „taalbefoarderjende" element in de volksmuziek. Het was destijds zelfs een van de redenen dat de vereniging werd opgericht. „It doel fan de feriening is safolle mooglik lju der by te krijen dyst bewege kinst Frysk repertoire te skriuwen,” zegt Dieuke de Vries, bestuurslid van de vereniging. Die opzet is aardig gelukt want tot nu toe heeft de vereniging vier bundels uit kunnen geven met liederen die door de leden geschreven zijn. „Sa kinne jo ek it resultaat fan de feriening sjen,” vindt Dieuke. De bloei van de vereniging blijkt ook uit de dikte van de bundels: die worden elke jaar gevulder. Zelf is Dieuke sinds ze lid is van de vereniging ook Friese teksten gaan schrijven.
In de eerste Tsjoch-bundel is nog een lied van Doede Veeman te vinden dat getuigt van het maatschappelijk engagement van de zanger en dat aangeeft dat de grenzen tussen folklied en protestlied niet altijd even scherp te trekken zijn. De protestacties tegen de PEB-centrale aan het Bergumer meer inspireerde Veeman tot het lied „Wij bale, fan dy sintrale.” Een historisch document zou over honderd jaar wel eens kunnen blijken.
De groep Mecharon (spreek uit Mesjaron) bestaat inmiddels zo'n twee jaar. Dat is vrij kort want volgens Jacob Lamminga heeft de ervaring geleerd dat een groep met vernieuwende aspiraties zeker een jaar of vijf bezig moet zijn eer er iets waardevol tot stand gebracht kan worden. Die vernieuwende aspiraties zijn er wel min of meer bij Mecharon. Peter van der Zwaag die piano en accordeon bij de groep speelt, vindt met name de verwantschap tussen folk en jazz interessant. „As jo folk ritmysk bewurkje dan ha jo hiel gau de eleminten fan de jazz te pakken. Dêr besykje wy ek mei te eksperimentearjen,” geeft hij aan. Daarnaast heeft de groep eigen werk op het repertoire staan en traditioneel materiaal. Dat laatste bewerkt de groep dan wel naar eigen inzicht.
Met zijn groep voelt Peter van der Zwaag zich een beetje een vreemde eend in de folkbijt. De Friese folk is zo nu en dan wel eens wat aan de oubollige kant, vindt hij „It is faak wat maklik.” Johan Cnossen en Alco Hoogcarspel constateren wat dat laatste betreft dat voor heel wat folkmusici met het voortborduren op traditioneel Iers materiaal de kous af is. In dat verband doet zich wellicht de invloed van de Dubliners gelden. Bijna ieder jaar komen die naar Friesland en elk concert is steeds weer goed voor een volle bak. Op de festivals en de concerten van Friese folkmuzikanten waart de geest van de Dubliners rond hebben Alco en Johannes gemerkt. „Op sa'n festival ha jo faak dat jo sizze: Hea, dêr binne se wer in Iersk ferske oan it neispyljen,” aldus Johan Cnossen. Alco Hoogcarspel heeft in de jaren dat hij met Heelstone optrad, de groep wordt binnenkort overigens waarschijnlijk ontbonden, de ervaring opgedaan dat wanneer het publiek een verzoeknummer vraagt het in veel gevallen een succesnummer van de Ierse idolen is. „The Wild rover, of Whiskey in the jar, dat wurk,” aldus Alco.
Zo langzamerhand is er in Friesland een vast folkpubliek gegroeid. Volgens Jacob Lamminga is dat met name een publiek dat actief met de muziek mee wil doen. Dat kan bij folkmuziek heel gemakkelijk vindt Dieuke de Vries. „De muzyk stiet ticht by de minsken, kinst maklik meibrulle.” Van dat publiek vindt zij wel dat het een bepaald slag is. „De alternative kant it neist,” vindt ze. „It is net in breed publiek. Op in festival helle jo dy echte folklju der drekt út. It binne minsken op klompen en mei lange burden,” is de ervaring van Johan Cnossen.
Waarom folk nou net in Friesland zo aanslaat is voor de meeste musici een moeilijke vraag. „lt hat tink ik wat mei de taal te krijen, meielkoar earne foar stean”, vermoedt Alco Hoogcarspel. „Folk is ut de histoary wei de muzyk fan it plattelân en it is hjir allegear plattelân,” luidt de eenvoudige verklaring van Johan Cnossen. Ook Jacob Lamminga zoekt het in de taal. Harry en Dieuke de Vries moeten het antwoord schuldig blijven.
Voor de volksmuziek in Friesland is de Feriening fan Fryske Folksmuzikanten van onschatbare waarde gebleken, daar zijn de meeste leden het over eens. Dankzij de vereniging is er niet alleen een aantal bundels met nieuw Fries repertoire verschenen en hebben beginnende musici de kans gekregen „er tussen te komen”, de vereniging geeft met de Tsjochfestivals de musici ook de kans op te treden. Die optredens lopen zoals gezegd terug, de Tsjoch festivals worden steeds royaler van opzet en dat biedt misschien enige compensatie. Johan Cnossen veronderstelt dat zonder vereniging de folk in Friesland zich niet zo zou hebben ontplooid. „Der binne yn Fryslân ek in hiel soad rock- en popbandtsjes dêr ‘t jo nea wat fan hearre. Mar de folkllu ha harren feriening en sa komme se nochris foar it publyk. Sa hearre jo nochris wat fan harren".

terug naar Tsjoch

Deze pagina is bijgewerkt op