De Limburger op het web

VENLO, DE STAD VAN

duizend 'leedjes'

door Guus Urlings
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Frans Boermans, Giel Aerts, Hay Crompvoets, Wiel Hermans, Peter Jansen, Wim Janssen, Thuur Luxembourg, Sjraar Peetjens, Ad Pollux, Frans Pollux, Wim Roeffen, Wiel Vestjens, Hannelore Winter.
In volstrekt willekeurige volgorde - behalve Frans Boermans, die hoort in dit soort opsommingen helemaal vooraan te staan - een handvol namen van mensen die, allemaal op hun eigen manier, een stevige bijdrage hebben geleverd aan de reputatie van Venlo als stad van duizend leedjes. Componisten, tekstdichters, zangers. De lijst is bij lange na niet volledig, zou zonder problemen met nog eens honderd namen uitgebreid kunnen worden. De Venlose leedjes-traditie is lang en rijk. En ze heeft een rits carnavalsliedjes opgeleverd die tot de klassiekers, tot de evergreens van de Limburgse vastelaovend behoren. Inderdaad: van de Limburgse vastelaovend. Want Venlose liedjes als As de sterre dao baove Straole of Sjiengele boem, om er maar twee te noemen, wisten in de hele provincie zonder problemen door de grenzen van het lokale carnavalschauvinisme heen te breken.
Het ontstaan en de ontwikkeling van zo'n rijke muzikale traditie zijn een boek waard. Dat boek is er nu: Det is Venloos roem! - De geschiedenis van de Jocusleedjes en de mensen achter de leedjes. Geschreven door journalist Finbar van der Veen. „Als eerbetoon aan het prachtige Jocus-repertoire en aan de vele mensen die zich daar al die jaren voor hebben ingezet of er zich nog steeds voor inzetten. Zij hebben immers Venlo, en heel Limburg, heel wat moois gebracht."
Van der Veen heeft zich er bepaald niet met een jantje-van-leiden van afgemaakt. Tot in de kleinste details schildert hij, van jaar tot jaar, het verloop van de leedjesaovende van Jocus, de winnende leedjes, de mensen en de verhalen Šchter de leedjes. Bovendien plaatst hij dat pakket in de context van de actualiteit van het moment, wat vaak een aardige inzicht geeft in het waarom van bepaalde teksten. En ten slotte – maar daarom zeker niet het minst belangrijke - schetst hij uitvoerig de voorgeschiedenis van de leedjesaovende van Jocus, waardoor duidelijk wordt waar de wortels van de Venlose liedjescultuur liggen.
Al met al is Det is Venloos roem! een zeer leesbare en grondig gedocumenteerde aanwinst geworden voor de Limburgse vastelaovend-bibliotheek. En een sterk argument tegen wat de ongekroonde koning van het Venlose lied, Frans Boermans, ooit zei: „Vastelaovendleedjes zijn om te zingen, niet om over te praten of te schrijven."
Het kan dus allebei. Slechts op ťťn punt is Van der Veen niet geslaagd, namelijk daar waar hij probeert een antwoord te formuleren op de vraag: waarom? Waarom is juist in Venlo zo'n rijke liedjescultuur ontstaan, en waarom heeft die zich tot op de dag van vandaag weten te handhaven? Dat het definitieve antwoord ook deze keer uitblijft, is overigens niet verwonderlijk. Er zijn er al meer die er hun tanden op stukgebeten hebben.
Een paar mogelijke verklaringen, althans pogingen daartoe, passeren de revue. De meest prominente: de volksaard van de inwoners van het stedje van lol en plezeer. Een volksaard die tot uitdrukking komt in een sterk saamhorigheidsgevoel, in trots op het 'eigene' van Venlo, op het plaatselijke dialect. En er is de onmiskenbare voorliefde van de Venlonaar voor wazele. De ultieme vorm van kroegpraat, die een onuitputtelijke bron van inspiratie moet zijn voor tekstdichters.
„Een honderd procent waterdichte verklaring is helaas niet te geven", concludeert Van der Veen. En misschien is dat maar beter ook. Constateren dat het zo is, en niet weten waarom, heeft een soort mythische charme die eigenlijk prima past bij carnaval.
Wanneer het allemaal begonnen is?
Van der Veen neemt 1843 als startdatum, en daar is alles voor te zeggen. Niet dat er voor die tijd in Venlo geen carnavalsliedjes werden gezongen, maar de oprichting van Jocus (in 1842) zorgde ook op muzikaal gebied voor meer structuur in de viering van carnaval. In 1843 verscheen Het Reglement en verzameling van liedjes voor het Jocus-gezelschap te Venloo. Daarin, waren twintig liedjes opgenomen die rondom de vastelaovend gezongen konden worden. De muziek van zeker twaalf van die liedjes was Duits van oorsprong, drie hadden een oorspronkelijk Franse melodie en er waren twee bekende Nederlandse liederen bij, waaronder Wien NeÍrlands bloed... dat de basis vormde voor het Volkslied voor Venloo's burgerij.
Weinig origineel Venloos werk, dus. Met uitzondering van de teksten. Die waren speciaal voor Venlo geschreven door enkele leden van de eerste raad van elf van Jocus. Opvallend genoeg: veruit de meeste teksten waren niet in het Venloos dialect. Zeven van die eerste officiŽle Jocus-liedjes waren in het Nederlands, zes in het Duits, twee in het Frans. Maar het daagde aan de horizon: in een officieel Jocus-document werd toen al - in 1843 dus - aangetekend dat het gewenst was zoveel mogelijk in de eigen taal te schrijven. En in de nieuwe editie die in 1894 van het liedjesboek verscheen, stonden 42 liedjes, waarvan 21 met een tekst in het Venloos.
Na een periode van relatieve achteruitgang - zowel op het gebied van carnaval als op muzikaal terrein - kwam er in 1935 een herstart. Op de elfde van de elfde van dat jaar was er eindelijk weer eens een grote Jocus-zitting. Met een Venloos carnavalsliedje: Elf van Elf. Geschreven door Baer Winters en Harry Verhagen. Weliswaar niet gekozen tijdens een officiŽle Jocus-liedjesavond, maar door velen toch beschouwd als dť start van het leedjes-tijdperk in Venlo. En in ieder geval een bron van inspiratie voor tal van andere componisten en tekstdichters.
De eerste echte leedjesaovend vond plaats in oktober 1936. En het eerste winnende liedje was Och An, Och An. Opnieuw van het duo Winters/Verhagen, grootheden uit het vooroorlogse vastelaovend-circuit in Venlo. Frans Boermans zou later Baer Winters, die ook op tal van andere terreinen veel werk verzette voor Jocus en de vastelaovend in Venlo, betitelen als zijn grote voorbeeld.
Na die eerste keer is de leedjesaovend - op de oorlogsjaren en een enkel incident na - eigenlijk niet meer uit Venlo weggeweest. Het was een dankbaar podium voor bekende namen als Sef Hendrickx (Sjiengele sjiengele boem), de zwagers Frans Boermans en Thuur Luxembourg (een samenwerking die goed was voor 31 winnende nummers, en klassiekers als Och waas ik maar... en As de sterre dao baove Straole), de zingende broers Sjraar en Piet Peetjens, de broers Ad (liedjesschrijver, onder meer Mooder Maas en Venlo am Rhein) en Piet (zanger) Pollux, componist Giel Aerts, zangers Wiel Vestjens, Hay Crompvoets, Ben Verdellen, zangeres Hannelore Winters, Wim Roeffen (ook al goed voor een lange reeks winnende liedjes, waaronder Josefien en Gelachel!!), het duo Thei en Marij, Peter Jansen en Wim Janssen (onder meer LVK-winnaar DŤh dan, dao isse!), Quin Warmerdam (W-Dreej) en Frans Pollux (sinds zijn debuut bij de leedjesaovend in 2003 al vijf keer winnend componist en tekstdichter).
En dan zal iedere rechtgeaarde vastelaovend-vierder uit Venlo vast nog een aantal namen missen die in deze opsomming ůůk niet hadden misstaan.
Een lange historie - het boek is actueel bijgewerkt tot en met de leedjesaovend van 2009 - met veel prachtige leedjes. Zoals Finbar van der Veen het bij wijze van slotwoord zelf zegt: „Leedjes die nog altijd overal worden gezongen. Leedjes met een verhaal erachter. Zoals er achter al die mensen die ze zongen en schreven ook een verhaal zit. Mooi, eigenlijk. Je zou er een boek over kunnen schrijven..."
Dat heeft hij dus gedaan.

Det is Venloos roem! - De geschiedenis van de Jocusleedjes en de mensen achter de leedjes. Auteur: Finbar van der Veen. Uitgever: Shaker Media. ISBN 978-90-489-0010-7. Prijs 25 euro. Informatie en bestellingen: www.shaker-media.eu/nl/

Deze pagina is bijgewerkt op